Leren schaatsen

vrijdag 31 december 2010

Nee, we geven geen schaatscursussen. Dit is een verzoeknummer. Francine Hendriks van www.zinspraak.nl vroeg me in een twitterbericht dit blogje te schrijven. Ze twitterde:

“Uitkijkend op een bevroren haven waar kinderen met vallen en opstaan leren schaatsen denk ik: Als Jan Deutekom nu eens in ’n blog uitlegt hoe het zit met leren schaatsen volgens fc-sprint². Kunnen we er straks allemaal over meepraten.”

Nou, bij deze.

Ik zal ook steeds proberen uit te leggen waarom.

Situatie: cursist en docent.

1. Docent zegt tegen cursist: “Ik weet zeker dat je om 4 uur vanmiddag mij kunt laten zien dat je perfect rechtuit kunt schaatsen en dat je een bochtje kunt maken.”

De hoge verwachting. Onderzoek wijst eigenlijk altijd uit dat hoge verwachtingen van docenten zorgen voor meer presteren door cursisten. Het is hierbij van groot belang een cursist verteld wordt wat hij moet kunnen en niet wat hij moet doen. Dat maakt de cursist verantwoordelijk. Als we een cursist vertellen wat hij moet doen dan is de kans groot dat we vervolgens gaan controleren of hij wel doet wat we van hem gevraagd hebben. En vertellen wat hij moet doen maakt de docent verantwoordelijk.

2. De cursist gaat aan de slag. Hij heeft beschikking over bronnen. Dat zijn andere schaatsers (die verder zijn dan hij) die hij kan gebruiken als bron, er staat een stoel die hij kan gebruiken en ik heb even wat andere bronnen verzameld. De cursist kan dit gebruiken maar het hoeft niet. We hebben tenslotte tegen de cursist gezegd wat hij wanneer moet kunnen en we zeggen hem niet wat hij moet doen.

De hoge verwachting is al goed voor het zelfvertrouwen en de motivatie van de cursist. Vertrouwen van een expert in je mogelijkheden is van groot belang voor leren en optimisme ook. Voor motivatie is het ook van groot belang dat er een zekere mate van autonomie is en dat een cursist het gevoel heeft ergens steeds beter in te worden (zie bijvoorbeeld Daniel Pink). De cursist moet letterlijk ruimte hebben om te bewegen en zelf keuzes en afwegingen te maken. Als we hem precies vertellen wat hij moet doen dan verhoogt dat de motivatie niet.

Bovendien is er bij Sprint² altijd een extra doel. We willen dat een cursist actief is, meedenkt, autonomer wordt bij het leren en leert gebruik te maken van de “bronnen” die hij tot zijn beschikking heeft. We willen dat een cursist veel autonomer leert leren.

De docent is hier zoveel mogelijk de laatste bron. Bij een vraag naar de docent kijkt de docent of een van de medecursisten de vraag kan beantwoorden en of hij andere bronnen kan gebruiken. We vragen daarbij niet iemand anders die al wat verder is te helpen maar we vragen de cursist om op die andere cursist af te stappen met zijn vraag.

Ondertussen kijkt de docent naar dit proces. Wat gebruikt de cursist, gebruikt hij bronnen of prutst hij in zijn eentje. Waar kan hij zijn leren verbeteren. Is hij bewust op zoek naar de beste bron. Kijkt hij wie goed is in rechte eindjes en gaat hij daar informatie tanken of zoekt hij de eerste de beste op die in de buurt is. In principe grijpt de docent niet in. Dat zou op de korte termijn het leren wel op weg helpen maar knabbelt aan de verantwoordelijkheid en aan de autonomie van de cursist. En zorgt op de lange termijn voor afhankelijkheid van de docent.

Ik zie op het meer voor mijn huis eigenlijk steeds 2 vormen. Of een kind wat in zijn eentje doorprutst of een klassieke docent die precies vertelt wat het kind moet doen. Ik zie zelden een kind wat even in zijn eentje doorprutst en dan met een gerichte vraag komt naar iemand die het al kan. Ik zie zelden een kind dat actief en bewust gebruik maakt van de bronnen die hij tot zijn beschikking heeft.

3. Het is 4 uur en de cursist laat zien wat hij kan.

Ik denk dat mijn eerste verwachting heel hoog was. De kans is dus groot dat de cursist die verwachting niet helemaal haalt en eigenlijk is dat ook niet de bedoeling. Als ik de lat op een haalbare hoogte leg (een goede inschatting maak van wat de mogelijkheden van de cursist) zeg 1.40 en hij haalt het dan is dat mooi. Als ik de lat op 1.80 leg en hij springt 1.70 dan is dat nog veel mooier. En ik moet zeggen dat ik nog regelmatig verbijsterd ben over wat cursisten presteren als ik die lat hoog leg. Het gebeurt regelmatig dat ze over die 1.80 heen springen terwijl ik dat vooraf voor onmogelijk hield. Ik ben ook nog regelmatig verrast als ik zie hoe effectief cursiten gaan leren als ze autonomie krijgen en wat ze dan gaan doen om zichzelf te trainen.

“Het grootste gevaar voor de meesten van ons is niet dat ons doel te hoog is en we het niet halen maar dat het te laag is en we het halen.” (Michelangelo)

Het is dan wel van groot belang dat we beginnen met vieren. Dat we eerst alles benoemen wat goed ging. En uit wat de cursist laat zien halen we een nieuwe verwachting voor de volgende keer. Dus: “Die rechte eindjes waren geweldig. Ontzettend goed hoor. Ik kan wel zien dat je daar heel hard op gewerkt heb. (benadruk dat harde werken en zeg vooral niet dat iemand talent heeft! Zie Carol Dweck hieronder). Je moet voor de volgende keer wel letten op je afzet. Je maakt de slag niet helemaal af. Ik weet zeker dat je dat morgenmiddag om 4 uur wel kunt. Als je nou morgen verder gaat werken aan je afzet en je bochten moet je niet te lang in je eentje doorprutsen. Als je merkt dat je vastloopt en niet verder komt vraag Sjoerd dan even. Die kan het bijna perfect.”

Het vieren, het benoemen van alles wat goed ging is van groot belang voor de motivatie. Een cursist raakt gemotiveerd of blijft gemotiveerd als hij het gevoel heeft ergens steeds beter in te worden.

 

Lees meer