3. Hoe komen we naar B1? – Impliciet leren

Share

“Hoe kan ik als docent mijn lessen vanaf 1-7-2021 anders aanpakken, zodat ik mijn lager opgeleide cursisten zo veel mogelijk naar B1 kan krijgen”

Binnenkort ga ik naar een bijeenkomst waarin dit de centrale vraag is. En ik mag een pitch geven van 2 minuten. En dat is natuurlijk veel te kort. Daarom heb ik maar bedacht om ook een serie blogs aan dit onderwerp te besteden. De vraag is te ingewikkeld om dat in twee minuten goed voor het voetlicht te krijgen. Het onderwijs is een gecompliceerde machine is met allerlei knopjes waar je aan kunt draaien. En al die knopjes hebben invloed op elkaar.

Expliciete Instructie?

Over het algemeen wordt aangenomen dat voor het effectief aanleren van de klank tekenkoppeling directe expliciete instructie nodig is van een docent. En dat lijkt op het eerste gezicht logisch. Er zijn ongeveer 36 klanken in het Nederlands en 26 letters en er zijn combinaties van letters die weer anders verklankt worden. En het is bepaald geen zuivere code. Er zijn tal van uitzonderingen. Deze code kraken lijkt voor cursisten vrijwel onmogelijk zonder een instruerende docent. Dit moet gestructureerd. Er moet een logische volgorde zijn en duidelijke stappen. De daadwerkelijke koppeling van klanken aan tekens moet voorgedaan worden. Het zelf uitvinden en autonoom kraken van deze code lijkt onmogelijk.

Maar ook directe expliciete instructie is geen garantie voor succes. Ook dan kraken veel cursisten de code uiteindelijk niet of onvoldoende om soepel te leren lezen. En daar zijn verschillende redenen voor. Een van de belangrijkste redenen lijkt juist die expliciete instructie. Juist voor cursisten met weinig schoolervaring is die expliciete instructie redelijk nieuw. En bovendien in dit geval is het ook nog eens expliciete instructie in een vreemde taal. Er is wel van alles en nog wat geleerd door cursisten met weinig schoolervaring maar zelden of nooit via expliciete instructie.

Maar ook in een breder verband moeten we ons afvragen of expliciete instructie in ons leren wel zo’n belangrijke plaats inneemt.

“Most, perhaps as much as 95 percent, of the learning that takes place in our day-to-day lives operates implicitly – no explicit instruction was available or necessary.”

(“Ungifted: Intelligence Redefined” – Scott  Barry Kaufman)

In Diglin+ hebben we ondertussen geleerd dat we de “input” zo kunnen organiseren dat de code gekraakt kan worden zonder expliciete instructie van een docent. En het kan bovendien effectiever. We kunnen cursisten bronnen geven waardoor ze klanken kunnen horen die al gekoppeld zijn aan de juiste letters. We kunnen ze laten zien dat die letters en klanken samen een woord kunnen vormen en dat dat woord een betekenis heeft. We kunnen ze dat woord ook laten horen.

In het begin zeiden onderzoekers dat dit natuurlijk geen oefening was. En dat lijkt wellicht zo maar toch merkten we dat cursisten hiermee op hun eigen manier gingen oefenen. Er was een cursist die verschillende keren terugkeerde naar deze bron en er in totaal 45 minuten mee werkte.

Er is hier geen sprake van expliciete instructie. Maar ook niet van klassieke input die de cursist over zich heen krijgt en waarbij hij zelf een passieve rol speelt. De cursist zit hier aan het stuur. Hij kan de input zelf hanteren en organiseren. Hij kan hier iets waar een docent die expliciete instructie geeft alleen maar van kan dromen. Hij kan precies dat oproepen wat hij nodig heeft en hoe vaak hij dat nodig heeft. Zeer abstracte informatie – verschillende klanken zijn verbonden aan verschillende tekens en die klanken en die tekens samen vormen woorden en die woorden hebben een betekenis – wordt hier in één keer “getoond” en hoeft niet in een vreemde taal uitgelegd te worden.

Dit was min of meer de “presentatie” van de woorden. Daarnaast heeft de cursist bronnen waarmee hij kon oefenen. In de volgende bron (sleep de letters) is opnieuw veel meer sprake van “ontdekken” dan van instructie. De directe feedback en de ondersteuning van beeld, uitgesproken woorden en uitgesproken geluiden zorgen er voor dat er heel effectief geoefend kan worden. De cursist wordt bij elke fout onmiddellijk gecorrigeerd en kan vervolgens op zoek naar het juiste antwoord.

Deze “input” en de combinatie van verschillende bronnen zorgen er voor dat er allerlei strategieën gaan ontstaan. De mevrouw in het filmpje hieronder “hakt” de woorden in stukken en spreekt ze uit. Dit gebeurt normaal gesproken op initiatief van een docent. Deze mevrouw heeft deze strategie helemaal zelf “ontdekt”. Ze gebruikt allerlei input van eerdere bronnen om een eigen strategie te ontwikkelen.

Het impliciete en expliciete systeem

Kaufman en ook anderen (Squire & Knowlton 1995) gaan er van uit dat er sprake is van twee “kennissystemen”. Een expliciet en een impliciet systeem. Bij het expliciete systeem is er sprake van leren als een bewust proces. De cursist weet dat hij aan het leren is. En in dat expliciete systeem is er een correlatie met leeftijd en IQ. Dat betekent dat bij bijvoorbeeld expliciete instructie het afhangt van het IQ van de leerder (en de leeftijd en het taalniveau) of er iets geleerd wordt.

Bij het impliciete systeem is er geen sprake van een bewust proces. Leren is hier onbewust of onbedoeld. Interessant is dat bij dat impliciete systeem er geen correlatie is met leeftijd en IQ. Het maakt dus niet uit hoe hoog je IQ is. Onze hersenen zijn heel goed in staat om patronen te ontdekken uit informatie die tot ons komt en daar van te leren. Bovendien is de kennis opgedaan met expliciet leren veel minder duurzaam dan de kennis opgedaan met impliciet leren. Wat we impliciet geleerd hebben blijft veel beter hangen dan wat we expliciet hebben geleerd.

Het onderscheidend aspect van deze systemen lijkt te zijn of leren bewust gebeurt of niet. Dat betekent dat op het eerste gezicht alles wat op een school gebeurt ook expliciet leren is. Je bent je er van bewust dat je op een school zit en dat het daar de bedoeling is dat je leert.

Bij het impliciet leren van een taal, bijvoorbeeld de moedertaal door een kind, is sprake van massive exposure. Leerders worden gedurende jaren geconfronteerd met allerlei taaluitingen en dat in zulke hoeveelheden dat dat leidt tot leren. Onze hersenen herkennen patronen uit deze massive exposure. Massive exposure is ongestuurd, toevallig, er is geen sprake van “design”. Bovendien hoort bij impliciet leren inductie. Vanuit voorbeelden wordt kennis opgedaan. Vanuit voorbeelden wordt kennis afgeleid. De leerder zelf heeft slechts zeer beperkte invloed op deze massive exposure.

Bij expliciet leren is logischerwijs sprake van vormen van design. Bij expliciet leren is in veel gevallen sprake van deductie (al hoeft dat niet). Vanuit regels wordt kennis opgedaan. Kennis wordt ontvangen i.p.v. afgeleid van voorbeelden. Dat betekent dat er vanuit de regel als het ware gerekend moet worden om tot een goede uitkomst (bijvoorbeeld een zin of een werkwoordsvorm) te komen. Deze expliciete kennis is in veel gevallen niet echt bruikbaar. Je hebt bij spontane taaluitingen geen tijd om je de “regel” te bedenken voor het maken van een zin en aan de hand daarvan zinnen te construeren. Deze expliciete kennis zal moeten leiden tot impliciete kennis, kennis die geautomatiseerd is en die intuïtief gebruikt kan worden om effectief te communiceren.

Zo bezien zijn het twee systemen waarvan de ene zich afspeelt in scholen en de andere buiten het onderwijs zelf. En zeker als het gaat over het leren van een vreemde taal. Het lijkt op het eerste gezicht onmogelijk om in schoolsituaties gebruik te maken van massive exposure. Hoe kunnen we er immers voor zorgen dat er in lessituaties zoveel input is dat impliciet leren kan ontstaan?

Expliciete doelen en impliciete bijvangst

Voor ons werkt deze strakke scheiding niet. In Diglin+ is sprake van een combinatie van impliciet en expliciet leren. We proberen ook na de klank-tekenkoppeling deze principes steeds te hanteren ook als de klank-tekenkoppeling eenmaal beheerst wordt. En dat betekent dat er vrijwel nooit expliciete instructie bij DigLin+ gebruikt wordt. De cursist doet kennis op door te werken met bronnen en door daaruit patronen te herkennen. Maar dat gebeurt niet door instructie. Het is veel meer ontdekken en veel gebeurt in onze ogen onbewust. Er is in de didactiek wel sprake van expliciete doelen (of hoge verwachtingen). De cursist is zich dus wel degelijk bewust van leren en wat de bedoeling is van het leren en dat lijkt te wijzen op expliciet leren.

Wij spreken vaak van “bijvangst”. In de oefeningen hierboven is het doel om de klank-tekenkoppeling onder de knie te krijgen. Dat gebeurt zonder expliciete instructie en er is bijvangst. Doordat de cursisten grote hoeveelheden klanken en woorden beluisteren en foto’s zien (in combinatie met geschreven letters en woorden) is er heel veel bijvangst. Zo wordt bijvoorbeeld hun uitspraak beter door het vele luisteren en door de foto’s wordt ook de woordenschat automatisch ontwikkeld. Het is in beide gevallen geen expliciet doel maar het is impliciete bijvangst.

Impliciet leren kan het leren van elke cursist aanmerkelijk verbeteren en versnellen. Maar vooral cursisten met weinig schoolervaring zullen baat hebben bij impliciet leren. Impliciet leren kan onze cursisten een stuk dichter bij B1 brengen.

(Visited 309 times, 1 visits today)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*